Brussel, brillen en bekeerden

Drongo Festival, 25 en 26 sept. 2015 in de jaarbeurs te Utrecht

Een rapworkshop op Drongo

Door Maartje

Had ik  m’n ogen dicht, dan waande ik me in een gymzaalkleedkamer. Maar ik had ze open en zag donkere kleding, sneakers, petjes. Het was de rapworkshop in de Yellow Room die drie kwartier te laat begon. Naast mij waren er zes andere deelnemers. De gasten van Stikstof waren hierdoor net niet in de meerderheid. Stikstof, ik had er nog nooit van gehoord. Gelukkig stelden ze zich voor: een rapgroep uit Brussel. Ook wij kwamen aan de beurt. Je naam was niet genoeg, je moest ook vertellen wat je met rap had. De drie zwarte petjes rechts naast me waren “bekeerd”. Okeej. En ik? “Eehh, ik studeer Nederlands? En ja, ik vind het wel bijzonder hoe rappers zo snel kunnen improviseren en met rijmwoorden kunnen komen en zo… ja.” De drie vrouwen links van me waren netjes geklede docentes Nederlands die aan het bijscholen waren, ieder van hen had geverfd haar, make-up en een designbril. Hun doel was om “dichter bij hun leerlingen te komen”. (Ze waren het type veertiger waarvan je niet wilt dat ze chill, doekoe en dissen zeggen.) Het contrast was oogverblindend. Laten we beginnen.

“Waar denken jullie aan bij Brussel?” De dingen die we riepen kwamen op een flip-over te staan, in een haast onleesbaar woordweb. Daarna moesten we hier rijmwoorden op bedenken. Het was de blonde veertiger die “hard gedist” riep, op Manneke Pis. Mijn “niet te versmaden” op chocolade moest ik drie keer herhalen. De stikstoffers zelf kozen voor de grootste dichtersvrijheid met “Frans” op Vlaams en “zwangere Guys” (spreek uit: gis) op Manneke Pis. Zwanger betekent blijkbaar “swag”. Een heerlijke ontdekking voor de docentes.

Tot mijn verbazing werd nu het bord weggeschoven en ging de muziek aan. Een rapbeat. We moesten gaan staan. De bebaarde stikstoffer begon een duidelijk vooraf ingestudeerd nummer te rappen. Na een halve minuut gaf hij de mic door aan de dikke. Vloeiend haakte hij in op zijn voorganger. Daarna volgden de stille, de rooie, de Franse (“Ik versta d’r niks van, maar het klinkt wel gaaf!”) en uiteindelijk de kleine. Toen was de eerste deelnemer aan de beurt. Hij vond het “vals, want jullie hebben ‘t allemaal voorbereid!” Maar hij was bekeerd, dus hij deed het toch. Ook de andere twee hobbyrappers lieten van zich horen. Toen de eerste veertiger de rapstok in handen kreeg begon ze lacherig te protesteren: “Ik heb hier niks op aan te vullen, hoor!” en het baardje nam ‘m weer over. “Oké, oké, dan gaan we freestylen.” De dikke haalde het bord weer tevoorschijn en nu moesten we improviseren met de zojuist bedachte rijmwoorden. Nu vloog de microfoon kriskras heen en weer en voor ik het besefte had ik ‘m aangepakt. Een kinderrijm over chocola die niet te versmaden was en “Ojee, wat moet ik nu? Ik ben ook maar een individu” en ook iets over de “microfoon die gaat rond, achter elkaar, ik geef ‘m nu verder, maar waar?” Zoiets. Het was slecht, maar wel in de maat. Het duurde niet lang voor de laatste opdracht.

“Bedenk een rap die gaat over een taboe doorbreken. Dus bijvoorbeeld jij zit in de klas en je kindjes zeggen ineens bitch en zo, weet je wel? Dat ze dat wél mogen zeggen.” Halverwege mijn geschrijf begonnen er al stikstoffers teksten op te zeggen, en ook een hobbyrapper en een docente (over het voorgekauwde onderwerp nota bene). Mijn krabbels hebben ze nooit gezien of gehoord, want er kwam opeens een Akwasi (blijkbaar bekend) binnen die begon te zeggen dat het wel de bedoeling was dat wij straks onze raps voor zouden dragen op het podium. Er werd nog meer gekletst en gerapt en het was rommelig: de juiste gelegenheid om er stiekem vandoor te glippen.

Maartje

Masterstudente Theoretical linguistics and cognition